Spaghetti alle vongole

Het was vandaag een bijzondere dag.
Na een kleine week van noodweer (regen, storm, donderende bliksem en nog meer regen) en ongebreideld schrijven, bleken de Nederlandse en Spaanse (on)weersprofeten het dit keer volledig bij het verkeerde eind te hebben met hun troosteloze voorspellingen.
Terwijl prachtig geanimeerde ‘eltiempo’ en ‘hetweer’ sites mij hun zwarte wolkjes garandeerden en weer een aan huis gekluisterde dag, bleek de non-virtuele wereld mij een heel andere werkelijkheid voor te schotelen: er was geen vuiltje aan de lucht.
Nu wilde het toeval dat ik vast zat in mijn boek. Na tweehonderd bladzijden stonden alle ingrediënten op papier en waren, naar mijn gevoel, van uitstekende kwaliteit, maar het einde van het verhaal wilde zich maar niet ontplooien. Het was alsof ik een pan heerlijke mosselen stond te koken en de schelpen niet open wilden gaan.
We gaan naar het strand, kwam er in een opwelling bij me op, en binnen vijf minuten had ik zowel Renata (mijn vriendin, voor degenen die dat nog niet wisten) als de strandspullen in de auto geladen en reden we over de befaamde onverharde kronkelweggetjes de berg af .
De eerste momenten genoten we ten volle van het, na dagen van regen, opschietend groen, maar al gauw ontdekten we de schaduwkant ervan: ons uit Nederland meegebrachte, milieu- en portemonneevriendelijke autootje bleek geen partij voor de stromen barro (=modder) die over de toch al niet TomTom-waardige wegen waren gespoeld. Rijden over deze natte, gladde en zware Spaanse modder is te vergelijken met het maken van manoeuvres op een ijsbaan, dus mijn klamme handen en de druppels angstzweet op mijn voorhoofd bij het bereiken van vaste grond onder mijn wielen zullen niemand verbazen.
Het was windstil op het strand, de zee maakte amper geluid en de zon brandde al aardig. Het beloofde een fantastisch mooie dag te worden.
Een glunderende Manolo – want verguld over deze onverwachte met klandizie gevulde dag – spreidde onze huurbedjes, terwijl wij in ons respectievelijke Adam en Evakostuum schoten (Playa de Cantarrijan is een naturistenstrand).
Een uurtje zon op billen en boekoverpeinzingen later, besloot ik, gewapend met mijn onderwatercamera, te gaan snorkelen. Het zicht zou vast super zijn met zo weinig mensen en nog minder wind vandaag en misschien kon ik wat mooie onderwateropnames maken. Dat van het zicht klopte, alleen lieten de vissen het om de een of andere reden afweten. Misschien hadden zij de weersverwachtingen ook gehoord en waren naar dieper water vertrokken. Een enkel kwalletje was het enige fotogenieke, levende wezen wat er voor mijn lens voorbijkwam. img_3894.jpg Na een kwartier rondsnorkelen in het koude water leek mijn blote vel op dat van een geplukte kip. De redding was nabij in de vorm van een verlaten kiezelstrandje, waar ik naartoe zwom om weer levensvatbaar te worden.
Terwijl ik daar lag op te warmen, ontwaarde ik een vreemd tafereel. Een collega-snorkelaar kwam om de hoek met iets vreemds boven zijn hoofd. Een zaklamp? Toen hij dichterbij kwam zag ik tot mijn verbazing dat het een half stokbrood was: wat een vreemde manier om je lunch te vervoeren.
De blauwe kleur van zijn huid gaf aan dat deze snorkelaar het ook koud had en hij landde een paar meter van me vandaan. ‘Bon provecho,’ zei ik doelend op het stokbrood. ‘Gracias,’ antwoordde hij met een zwaar accent waarin ik de Nederlander herkende. Wel een heel bijzondere overigens; de met zwaar ijzer beslagen leren banden rond enkels, polsen en nek gaven de indruk dat mijn buurman zojuist de Marbellaanse sm-kelders was ontvlucht. Toen hij mijn onderwatercamera in het oog kreeg, begon hij me zijn onfeilbare en zelf uitgedachte snorkelsysteem uit te leggen: het lokken van vissen met stokbrood. Voor het neusje van de zalm.
Een kwartiertje later zwom hij weer verder en ik moet zeggen, het had wel wat om deze grote volwassen kerel stukjes brood boven water te zien afbreken en daarna als een kind zo blij rond te cirkelen. Eendjes voeren.
Weer terug, ‘je was al drie kwartier weg en ik stond net op het punt je onderkoelde lijf te gaan zoeken’, verwarmden we ook de inwendige mens. Lui onderuit gezakt in de rieten stoelen van de strandtent verorberden we samen onze geroosterde sardientjes (toch nog een blik dus op de lokale vissenpopulatie) begeleid door een heerlijke salade, een glaasje en groepjes brutale mussen, onderwijl genietend van het panorama voor ons. De aan de telefoon hard Russisch sprekende, inbleke en moddervette man met op het ligbed naast zich zijn overduidelijk verveelde vriendin, bleek ineens ook Duits te spreken en werd tot voormalig Oost-Duitser gebombardeerd (de witte huid verraadde zijn vroeger ondergronds bestaan; zijn obesitas was natuurlijk veroorzaakt door de plotselinge blootstelling aan Mac Donalds en andere westerse decadentie), met medelijden bezagen we de lotgevallen van de eenzame trieste hond (vast een kruising tussen een herder en een windhond) die onvermoeibare pogingen deed het verwende en hapgrage keffertje van de mensen op de hoek over te halen tot een robbertje stoeien, en met ingehouden adem en krullende tenen keken we toe hoe de stenen van de onoplettende jongen aan de rand van het water steeds rakelings langs de hoofden van zwemmers keilden.
Toen de zon flauwer werd, bleek het ineens half zeven te zijn.
‘Ik heb zin in spaghetti alle vongole,’ verzuchtte Renata.
‘Dan maak ik dat vanavond,’ antwoordde ik, rozig van de urenlange zon en totaal ontspannen.
Ik proefde niet tijdens het koken, alle schelpen gingen open en mijn gevoel zei me dat het allemaal klopte.
En dat bleek ook, we hebben onze borden afgelikt.
Voldaan zette ik me daarna achter mijn computer.
En toen ik een uurtje geleden het hoofdstuk –wat als vanzelf uit mijn vingers rolde – overlas, wist ik dat ik niet meer vast zat.
Het was vandaag een bijzondere dag.

Recept voor een blijmakende Spaghetti alle vongole voor twee grote eters:

halve kilo schoongemaakte venusschelpen (almejas in het Spaans)
garnalen zoveel je lekker vindt
een handje platte peterselie en/of koreanderblad
Vier teentjes knoflook, fijngehakt
2 tomaten, ontveld, ontpit en in stukjes
Spaans pepertje
witte wijn, droge natuurlijk
olijfolie
spaghetti

Zet de spaghetti op in ruim water met wat zout.
Roerbak vervolgens de venusschelpen in een scheutje olijfolie gedurende een minuut of twee, voeg een glas wijn toe en de helft van de knoflook en peterselie/koriander, breng aan de kook en haal de schelpen er meteen uit als ze open staan.
Bak in een andere pan in weer een scheut olijfolie de tomaten, het Spaans pepertje (het liefst heel fijn gesneden) en de andere helft van de knoflook en peterselie/koriander. Hoe lang ligt aan je stemming.
Schep dit in de roerbakpan bij het schelpenvocht, zet het vuur hoog en laat het geheel indampen.
Voeg er daarna de garnalen en venusschelpen aan toe en mocht het voor je gevoel te weinig saus voor de spaghetti zijn, giet er dan gewoon nog wat wijn bij.
Even heet laten worden en dan door de gare pasta roeren.
Bon provecho!

(Met dank aan Renata)

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

7 Responses to Spaghetti alle vongole

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *